Alles onder controle, tot Chianti 2026 dat testte
En waarom dat precies is waar het interessant wordt
Je hebt het plan. Je hebt de data. Je hebt weken gevuld met kilometers, hoogtemeters en zorgvuldig uitgerekende TSS-scores die allemaal in de goede richting wijzen. Alles lijkt te kloppen.
En toch sta je na dertig kilometer in de Toscaanse zon te beseffen dat cijfers je lang niet alles vertellen wat je nodig hebt om goed te blijven bewegen.
Die realisatie kwam niet ineens. Die zat er al eerder in, alleen had ik hem nog niet echt serieus genomen.
Van voorbereiding naar realiteit
Ik begon deze voorbereiding met een vrij duidelijk idee: als ik mijn training goed opbouw, mijn data scherp analyseer en een realistische pacing bepaal, dan zou de race daar een logisch gevolg van moeten zijn. Vermogen, hartslag, trainingsload — alles gaf richting.
Het gaf ook een gevoel van controle. Hoe meer je kunt meten, hoe kleiner de ruimte voor twijfel lijkt.
In de loop van de weken begon dat beeld te verschuiven. Niet omdat het niet klopte, maar omdat ik er te veel op vertrouwde. Wat begon als een manier om beter te trainen, werd ook een manier om onzekerheid hanteerbaar te maken.
Daar zit een dunne grens: tussen sturen op informatie en jezelf wijsmaken dat je alles onder controle hebt.
De illusie van een compleet beeld
Mijn trainingsblok was, objectief gezien, gewoon goed. Trailrunning als basis, CrossFit ernaast voor kracht en belastbaarheid. Ik stuurde op vermogen via Stryd en volgde alles via TrainingPeaks.
Mijn trainingsbelasting piekte rond een CTL van net onder de 70, met een zwaarste week van ruim 570 TSS. Lange duurlopen richting vier uur, met serieuze hoogtemeters, en een Pw:Hr drift die laag bleef. Het plaatje klopte.
Juist daardoor stelde ik minder vragen bij wat er ontbrak.
Want hoewel deze cijfers bevestigden dat mijn motor sterk genoeg was, zeiden ze weinig over hoe mijn lichaam omgaat met herhaalde, onrustige belasting. Over wat er gebeurt als elke pas kleine correcties vraagt. Over de overgang van kracht naar souplesse, keer op keer.
Ik wist dat ergens wel. Alleen had ik het niet echt doorvertaald naar hoe ik trainde.
Vertrouwen, en wat daaronder zit
In de taperfase werd dat spanningsveld zichtbaarder. Mijn trainingsload daalde, mijn vermoeidheid nam af, en alles wees erop dat ik frisser werd.
Maar zo voelde het niet meteen.
Dat is misschien wel het ongemakkelijkste onderdeel van voorbereiding: dat vertrouwen niet netjes meegroeit met je fysieke vorm. Soms voelt het juist alsof je iets verliest, terwijl je in werkelijkheid aan het opbouwen bent naar een piek.
Daar zat ook iets anders onder. Een lichte afhankelijkheid van bevestiging. Zolang de cijfers goed blijven, voelt het goed. Zodra dat minder zichtbaar wordt, ontstaat er twijfel.
Een moment van bevestiging
Twee weken voor Chianti liep ik de Sallandse Heuveltrail: 21 kilometer, ongeveer 250 hoogtemeters. Ik finishte als negende in 1:42.
Het was geen piekmoment, maar wel een belangrijk moment. Even uit de trainingscontext stappen en voelen hoe het is om weer in een wedstrijd te lopen. Tempo maken, reageren, doseren.
Die race gaf vertrouwen. Tegelijk liet het zien dat alles “goed genoeg” was, zonder dat het echt getest werd op de specifieke eisen van het parcours dat nog moest komen.
Van plan naar aanpassing
In de laatste weken liet ik het idee van een strak plan steeds meer los. Ik had een beeld van mijn vermogen en wist ongeveer waar mijn grenzen lagen, maar het werd duidelijk dat je zo’n trailrace niet netjes volgens schema uitvoert.
Het terrein bepaalt het tempo. Je lichaam reageert continu.
Mijn aanpak verschoof naar werken binnen bandbreedtes in plaats van vaste getallen. Dat gaf rust, maar achteraf zie ik ook dat ik daarmee impliciet accepteerde dat bepaalde dingen zich wel tijdens de race zouden oplossen.
De realiteit van het parcours
Aan de start in Chianti werd meteen duidelijk dat het parcours anders aanvoelde dan verwacht. Geen lange, overzichtelijke klimmen, maar veel korte stukken, steeds onderbroken. Op en af, zonder echt ritme.
De afdalingen waren rommelig genoeg om nooit volledig door te kunnen lopen. Geen extreem technische secties, maar constant kleine verstoringen.
Het zat niet in één zwaar moment, maar in de opeenstapeling. In de herhaling die langzaam begint door te werken.
Waar het begon te schuiven
Tot een kilometer of 25–30 liep het zoals gehoopt. Mijn hartslag bleef stabiel, vermogen zat goed en conditioneel voelde het ontspannen.
Dat gaf vertrouwen.
Daarna veranderde het beeld, zonder dat er iets dramatisch gebeurde. Ik ging niet stuk en liep niet leeg. Het werd simpelweg minder soepel.
Na klimmen liep ik met een lagere cadans en zwaardere passen. Vervolgens moest ik weer terug naar een lichtere pas. Die overgang werd steeds lastiger en kostte steeds meer energie om netjes uit te voeren.
Precies daar begon het verschil te ontstaan.
De fout die erin sloop
Tussen de tweede en derde verzorgingspost maakte ik een inschattingsfout. Ik nam te weinig drinken mee.
Geen grote misser, geen moment waarop alles misging. Wel genoeg om het laatste stuk naar die post minder comfortabel te maken.
Achteraf is het geen toeval dat juist dit gebeurt. Het is het soort detail dat minder aandacht krijgt wanneer de rest van je voorbereiding solide aanvoelt.
Wat er echt getest werd
Als ik er nu op terugkijk, is het eigenlijk vrij duidelijk.
Mijn conditie was goed genoeg. Dat was niet de limiter.
De race draaide om iets anders: hoe efficiënt ik bleef bewegen onder herhaalde belasting. Hoe mijn lichaam omging met het constante schakelen tussen klimmen, afdalen en weer oppakken.
Het ging niet om volhouden, maar om de kwaliteit van bewegen naarmate de race vorderde.
De finish, en wat blijft hangen
Ik finishte in 05:24:04, goed voor een 281e plaats van de 1027 deelnemers.
Een prima resultaat. Maar dat is niet wat blijft hangen.
Wat blijft hangen is hoe die race voelde. Niet als één lange inspanning, maar als een serie kleine aanpassingen. Steeds weer schakelen, corrigeren, bijsturen.
Op een gegeven moment merk je dat je niet alleen reageert op het parcours, maar ook op de aannames die je vooraf hebt gemaakt.
Als ik er nu op terugkijk, is het eigenlijk vrij duidelijk waar het verschil zat. Niet in mijn conditie — die was goed genoeg — maar in hoe specifiek die was voorbereid op wat de race daadwerkelijk vroeg. In hoe mijn lichaam omging met die constante herhaling van klimmen, afdalen en weer oppakken. In hoe efficiënt ik bleef bewegen toen het niet meer vanzelf ging.
Voor een volgend trainingsblok verschuift de focus daardoor vanzelf. Niet per se nóg meer duur, maar specifieker werk. Meer nadruk op spieruithoudingsvermogen, op het blijven bewegen na belasting, op die overgang van zwaar naar licht die in deze race zo bepalend bleek.
Aan het begin draaide alles om de vraag hoe snel ik deze race kon lopen. Gaandeweg veranderde dat naar iets anders: hoe lang ik goed kan blijven bewegen, ook als het minder vanzelf gaat dan ik had verwacht.
Misschien is dat uiteindelijk waar trailrunning om draait. Niet het najagen van een perfecte uitvoering, maar het omgaan met alles wat zich onderweg aandient – en daarin zo lang mogelijk efficiënt blijven.






