Je training klopt, maar toch schuurt het ergens
En waarom dat precies de plek is waar je beter wordt — als je ernaar durft te kijken.
Er was een periode waarin mijn training onnodig complex begon te voelen. Niet omdat ik het niet begreep, maar juist omdat ik te veel begon te zien. Verschillende systemen, verschillende filosofieën — en allemaal hadden ze ergens gelijk.
Uphill Athlete. 80/20. Ze wijzen allemaal net een andere kant op, maar geen van allen zitten er echt naast. En precies dat maakt het lastig. Want als alles ergens werkt, hoe bepaal je dan wat jij eigenlijk nodig hebt?
Ik bleef daar een tijd in hangen. Meer lezen, meer vergelijken, steeds kleine dingen aanpassen. Tot ik langzaam begon te merken dat het antwoord niet echt in die systemen zelf zat, maar ergens anders. Niet in nóg een trainingsfilosofie, maar in wat er tijdens mijn eigen trainingen en races steeds opnieuw begon te gebeuren.
De echte training begon pas toen vermoeidheid zich begon op te stapelen
De periode waarin ik de meeste progressie voelde, was uiteindelijk namelijk niet de periode waarin ik het meest indrukwekkend trainde. Sterker nog: het was juist een vrij simpel schema. Veel rustige trainingen, een gerichte prikkel en een duidelijke structuur die ik lang genoeg volhield. Mijn tempo voelde natuurlijker, mijn inspanning bleef stabieler en ik kon langer blijven lopen zonder dat alles langzaam uit elkaar begon te vallen.
En juist daar begon iets te verschuiven.
De vraag werd niet langer:
wat is het beste systeem?
Maar eerder:
wat gebeurt er zodra een race me langzaam begint leeg te trekken?
Dat verschil lijkt klein, maar veranderde bijna alles. Want zodra je eerlijk naar je eigen races kijkt, kom je meestal niet uit bij een trainingsfilosofie, maar bij een limiter. Voor mij zat die limiter niet in klimmen of pure conditie. Niet in wat ik kan wanneer ik fris ben, maar juist in wat er gebeurt zodra het minder vanzelf gaat.
Hoe goed blijf ik bewegen als ik al lang moe ben?
Waarom zware training vaak productiever voelt dan goede training
Vanaf dat moment begon ik ook anders naar trainingsbelasting te kijken. Zware training voelt namelijk al snel productief. Veel hoogtemeters, veel intensiteit, veel vermoeidheid — het geeft het idee dat je goed bezig bent.
Alleen is dat gevoel soms misleidend.
Veel rustige trainingen voelen juist verdacht onproductief. Alsof je iets laat liggen. Alsof je harder zou moeten trainen om echt progressie te maken. Ik merkte dat zelf ook. Juist de trainingen die me op lange termijn beter maakten, voelden vaak helemaal niet spectaculair. Geen heroïsche sessies. Geen complete uitputting. Gewoon gecontroleerde trainingen die ik consequent bleef uitvoeren.
En toch zat precies daar de progressie.
Misschien juist omdat ik eindelijk genoeg ruimte liet om kwaliteit op te bouwen in plaats van telkens vermoeidheid te stapelen. Dat betekende trouwens niet dat alleen rustig trainen het antwoord was. Alleen maar Z1/Z2 mist uiteindelijk ook blootstelling aan het gebied waar je race daadwerkelijk beslist wordt.
Maar het tegenovergestelde werkt meestal net zo slecht.
Alles zwaar maken voelt productief — tot je merkt dat je herstel langzaam begint achter te lopen op je ambitie.
Waarom structuur uiteindelijk meer verschil maakte dan motivatie
Wat uiteindelijk het meeste verschil begon te maken, was niet welk systeem ik koos, maar of ik het lang genoeg hetzelfde hield. Een simpele week die je consequent uitvoert, werkt bijna altijd beter dan een perfect schema waar je voortdurend van afwijkt.
Dat klinkt misschien weinig revolutionair, maar juist dat maakt het lastig. Structuur voelt zelden spectaculair. Het voelt eerder alsof je jezelf inhoudt. Toch begon ik juist daar patronen te herkennen. Rustige trainingen die ook echt rustig bleven. Een gerichte intensieve prikkel. Een long run die meer deed dan alleen tijd maken.
Want uiteindelijk zie je juist in die langere trainingen wat er echt gebeurt. Of je hartslag stabiel blijft. Of je tempo langzaam begint weg te zakken. Of je vorm uit elkaar begint te vallen zodra vermoeidheid zich opstapelt.
En misschien nog belangrijker: of je nog steeds kunt blijven bewegen zoals je wilt bewegen wanneer het moeilijker wordt.
Daar begon training voor mij langzaam iets anders te betekenen. Niet alleen fitter worden, maar beter begrijpen waar controle langzaam begint weg te lekken.
Data werd pas nuttig toen ik stopte alles te willen controleren
Juist daarom ben ik data ook anders gaan gebruiken. Hartslag, vermogen en bijvoorbeeld Pw:Hr kunnen veel laten zien. Je ziet patronen die je tijdens een training zelf niet altijd direct voelt. Of je drift langzaam oploopt. Of je vermogen wegzakt terwijl je inspanning hetzelfde voelt.
Maar ik begon ook te merken hoe makkelijk het is om daarin door te schieten.
Data werkt goed als spiegel. Niet als stuur dat je constant probeert recht te trekken. Want niet iedere afwijking betekent meteen dat er iets misgaat. Soms is een training gewoon matig. Soms zijn je benen zwaar. Soms slaap je slecht.
Pas wanneer dezelfde signalen terug blijven komen, begint het interessant te worden. Een hartslag die structureel hoger ligt. Vermoeidheid die niet wegtrekt. Kwaliteit die langzaam verdwijnt.
Dat zijn meestal geen incidenten meer, maar patronen.
En juist daar moet je eerlijk genoeg durven kijken.
Meer specifiek trainen maakte mijn trainingen niet automatisch beter
Wat ik ook begon te merken, is hoe snel je training ingewikkelder maakt zodra iets minder goed begint te voelen. Als een race veel hoogtemeters heeft, voelt het logisch om nóg meer hoogtemeters toe te voegen. Als een bepaald terrein zwaar voelt, wil je daar nóg specifieker op trainen.
Maar in de praktijk maakt dat trainingen vaak vooral zwaarder.
Niet automatisch beter.
Ik trap daar zelf ook makkelijk in. Omdat “specifieker” bijna altijd overtuigend klinkt. Alsof meer complexiteit automatisch betekent dat je slimmer bezig bent.
Terwijl de grootste stap voor mij uiteindelijk juist zat in versimpelen.
Eerst kijken naar tijd en intensiteit. Daarna pas naar terrein, hoogtemeters of details. Een gecontroleerde duurtraining van anderhalf uur met gematigde hoogtemeters kan uiteindelijk veel waardevoller zijn dan een sessie die op papier perfect lijkt, maar zoveel kost dat de rest van je week eronder lijdt.
Dat soort keuzes voelen alleen zelden indrukwekkend.
Misschien voelt goed trainen juist daarom zo weinig spectaculair
Misschien is dat uiteindelijk ook waarom zoveel sporters blijven zoeken naar het perfecte systeem. Omdat goed trainen verrassend normaal voelt.
Niet dramatisch zwaar. Niet extreem ingewikkeld. Niet constant op de limiet. Gewoon consistent genoeg om weken op elkaar te stapelen zonder dat de kwaliteit langzaam verdwijnt.
En juist dat middengebied voelt vaak het minst overtuigend.
Als alles zwaar voelt, doe je waarschijnlijk te veel.
Als niets ooit schuurt, waarschijnlijk te weinig.
Maar precies dat gebied ertussenin — waar training gecontroleerd blijft terwijl er nog steeds progressie ontstaat — is lastig vast te houden. Juist omdat het niet spectaculair voelt.
Ik heb lang gezocht naar het “beste” systeem. Maar achteraf denk ik dat dat zoeken zelf uiteindelijk ook een vorm van ruis werd. De grootste stap zat uiteindelijk niet in een nieuw schema, maar in stoppen met eindeloos aanpassen en beginnen met lang genoeg uitvoeren om ergens daadwerkelijk patronen in te herkennen.
Want uiteindelijk blijft er eigenlijk maar één vraag over:
kan ik blijven bewegen zoals ik wil bewegen, op het moment dat het moeilijk wordt?

