Je training klopt, maar toch schuurt het ergens
En waarom dat precies de plek is waar je beter wordt — als je ernaar durft te kijken.
Er was een moment waarop mijn training onnodig complex begon te voelen. Niet omdat ik het niet begreep, maar juist omdat ik te veel begon te zien. Verschillende systemen, verschillende filosofieën — en allemaal hadden ze ergens gelijk.
Uphill Athlete. 80/20. De meer prestatiegerichte aanpak van Koop.
Ze wijzen allemaal een iets andere kant op, maar geen van allen zitten er echt naast.
En precies dat maakt het lastig. Want als alles klopt, hoe bepaal je dan wat jij moet doen?
Ik bleef daar een tijd in hangen — zoeken, vergelijken, bijstellen — tot ik merkte dat het antwoord niet in die systemen zelf zat, maar in wat er daadwerkelijk gebeurde in mijn eigen trainingen.
Het moment waarop het simpeler werd
Want juist in die trainingen begon me iets op te vallen.
De periode waarin ik de meeste progressie voelde, was niet de periode waarin ik het meest indrukwekkend trainde. Het was de periode waarin ik een vrij simpel 80/20-achtig schema volgde: veel rustig werk, een beetje tempo en vooral een duidelijke structuur.
Het effect daarvan was moeilijk te negeren.
Mijn tempo voelde natuurlijker, ik kon langer blijven lopen zonder dat het uit elkaar viel en mijn inspanning bleef stabiel.
Dat zette iets in gang.
De vraag verschoof van “wat is het beste systeem?” naar iets praktischers:
wat gebeurt er als ik iets consequent uitvoer — en werkt dat voor mij?
En als je daar eerlijk naar kijkt, kom je eigenlijk niet meer uit bij een plan, maar bij iets anders: waar het in jouw races steeds begint te schuiven.
Begin bij je limiter, niet bij een plan
Dat punt — waar het begint te schuiven — is uiteindelijk de enige plek die er echt toe doet.
Voor mij werd dat duidelijk toen ik eerlijk naar mijn races keek.
Geen extreme bergultra’s, geen stukken waarin je vooral loopt te hiken, maar runnable terrein, waar het verschil wordt gemaakt door hoe lang je kunt blijven rennen.
Daar zat het al in.
Niet in wat ik kan op mijn best, maar in wat er gebeurt zodra het minder vanzelf gaat.
Mijn probleem is niet dat ik niet genoeg kan klimmen.
Mijn probleem is:
hoe goed blijf ik bewegen als ik al lang moe ben?
En zodra je dat scherp hebt, verandert niet alleen wat je traint, maar ook hoe je naar belasting kijkt. Of zoals Scott Johnston (Training for the Uphill Athlete, Johnston & House) het simpel stelt:
“Train your weaknesses, not your strengths.”
Niet alles wat zwaar voelt, is nuttig
Want als je daar eenmaal naar kijkt, zie je hoe makkelijk je jezelf voor de gek houdt.
Zware training voelt al snel als goede training.
Veel Z1/Z2-werk, zoals bij Uphill Athlete, voelt soms bijna te makkelijk — alsof je iets laat liggen. Maar alleen maar rustig trainen mist juist de blootstelling aan het gebied waar je race zich afspeelt.
Aan de andere kant voelt alles zwaar maken — veel hoogtemeters, veel intensiteit — productief. Je hebt het idee dat je goed bezig bent.
Alleen is dat precies wat je op termijn opbreekt.
De balans zit ergens tussenin. En juist omdat die balans zo onopvallend voelt, is hij lastig vast te houden — tenzij je iets hebt dat hem bewaakt.
Structuur boven perfectie
En dat is waar structuur zijn rol krijgt.
Niet als doel op zich, maar als manier om die balans niet telkens opnieuw te hoeven uitvinden.
Wat uiteindelijk het meeste verschil maakt, is niet welk systeem je kiest, maar of je het volhoudt. Zoals Matt Fitzgerald (80/20 Running, Fitzgerald) het verwoordt:
“Consistency is the single most important factor in endurance training.”
Een simpele week die je consistent uitvoert, werkt beter dan een perfecte week die je maar af en toe haalt.
In de praktijk kom ik steeds weer uit op hetzelfde: rustige trainingen die ook echt rustig blijven, een gerichte prikkel en een long run die meer doet dan alleen tijd maken.
En juist in die long run zie je of die structuur ook echt standhoudt.
De long run als reality check
Want daar valt het masker weg.
Tijdens die langere trainingen zie je wat er echt gebeurt.
Of je hartslag stabiel blijft.
Of je tempo langzaam inzakt.
Of je vorm uit elkaar begint te vallen.
En misschien nog belangrijker:
of je nog steeds kunt blijven lopen als het moeilijker wordt.
Daar wordt je race beslist — en dus ook of je training ergens op slaat.
Gebruik data, maar laat het je niet gijzelen
Om dat scherp te krijgen, helpt data.
Metrics zoals Pw:Hr, hartslag en vermogen geven je objectieve feedback. Je ziet of je drift laag blijft, of je hartslag oploopt bij hetzelfde tempo en of je vermogen langzaam inzakt.
Maar data is geen doel op zich, zoals Jason Koop (Training Essentials for Ultrarunning, Koop) het treffend samenvat:
“Metrics are tools, not goals.”
Het helpt je om patronen te herkennen — niet om elke training te controleren of te perfectioneren.
En zodra je die patronen begint te zien, verandert ook wat je ermee doet.
Wanneer moet je bijsturen?
Want niet elke afwijking vraagt om actie.
Soms is het gewoon een mindere dag.
Maar als dezelfde signalen blijven terugkomen — een hartslag die steeds hoger ligt, benen die constant zwaar voelen, kwaliteit die achteruitgaat — dan zie je geen incident meer, maar een patroon.
En dat is het moment waarop je moet bijsturen.
Niet door meteen alles om te gooien, maar door één stap terug te doen en te kijken waar het schuurt.
Soms betekent dat simpelweg een paar dagen rustiger trainen dan gepland.
Soms betekent het je intensiteit iets omlaag brengen, zodat de kwaliteit weer terugkomt.
Soms betekent het ook accepteren dat je vermoeid bent en daar niet tegenin trainen.
Zo voorkom je dat kleine signalen langzaam grotere problemen worden — en dat je reflex wordt om juist méér te doen.
De valkuil van te specifiek trainen
Want die reflex ligt voor de hand.
Als iets niet werkt, ga je al snel denken dat je specifieker moet trainen.
Bijvoorbeeld door simpelweg meer hoogtemeters toe te voegen.
Het voelt logisch: als mijn race X heeft, moet mijn training dat ook hebben.
Maar in de praktijk maakt dat trainingen vaak zwaarder dan nodig, zonder dat ze beter worden.
Wat beter werkt, is eerst te denken in tijd en intensiteit, en pas daarna in terrein.
Bijvoorbeeld: een run van 1:40 op gecontroleerde intensiteit, met gematigde hoogtemeters.
Niet maximaal, maar precies genoeg om de juiste prikkel te geven.
Hoe weet je dat je genoeg doet?
En daarmee kom je bij de vraag die daaronder ligt: doe ik genoeg?
Zeker als je ambitieus bent, voelt gecontroleerde training al snel alsof je iets laat liggen.
Maar progressie zit zelden in één zware training. Die zit in weken die op elkaar stapelen, waarin je net genoeg doet om beter te worden zonder je kwaliteit te verliezen.
Als alles zwaar voelt, doe je waarschijnlijk te veel.
Als niets ooit schuurt, doe je waarschijnlijk te weinig.
En het lastige is: juist dat middengebied voelt het minst overtuigend — waardoor je geneigd bent er toch van af te wijken.
Blijf kritisch, maar niet eindeloos
En daar ligt misschien wel de grootste valkuil.
Dat je blijft zoeken naar iets beters, terwijl het probleem niet in je plan zit, maar in het feit dat je het niet lang genoeg hetzelfde houdt.
Ik heb lang gezocht naar het “beste” systeem. Maar dat zoeken werd op een gegeven moment zelf een vorm van ruis.
De grootste stap zat uiteindelijk niet in een nieuw plan, maar in stoppen met zoeken en beginnen met uitvoeren.
Een goed plan, consequent uitgevoerd, brengt je verder dan een perfect plan waar je telkens van afwijkt.
Waar het uiteindelijk om draait
En als je het helemaal terugbrengt, blijft er eigenlijk maar één vraag over.
Niet of je training goed genoeg is.
Niet of je schema klopt.
Maar:
kan ik blijven bewegen zoals ik wil bewegen, op het moment dat het moeilijk wordt?
Alles wat je doet in training zou daarop moeten terugkomen.

